Er lag een dorpje genesteld tussen de uitlopers van een hoge naar de hemel oprijzende rots. Een groene wadi omzoomde het dorpje en sneed zich vervolgens een groene weg door een dor landschap van stenen en struikgewas tot ze in de verte verdween tussen rotsen, die aan de horizon als stenen tanden uit de grond staken. De wadi kleurde groen dankzij de laatste regenval en het gewas, met hier en daar het loof van bomen, gaf schaduw en voedsel voor het vee van de boeren in het dorp. Na tijden van droogte werd de regenval altijd verwelkomd, maar ook gevreesd. Vaak kondigden vreemde luchten de regen aan, luchten die Elise lijzig noemde, vanwege de slome manier waarop bladeren en takjes, stukjes stro, zaadjes, stofjes en pluisjes zich in de lucht bewogen. Alles wat door de luchtstroom meegenomen kon worden, bleef eindeloos heen en weer zweven, op de hoogte van ongeveer drie keer een mens, dan weer naar boven, dan weer naar beneden, maar nooit de de grond bereikend en nooit verdwijnend, hoog met een luchtstroom mee. Het waren zachte, aarzelende bewegingen, ook voelde de lucht ijl en heet aan en in de verte boven de stenen tanden van de rotsen, was de lucht paarsig van kleur, naar de hemel overgaand in een stoffig geel.
De lijzige luchten bleven soms dagen treuzelen en de bewegingen hadden een hypnotiserend effect op mensen met een zwakke geest. Soms verdwenen ze weer en bleef het daarbij, maar wanneer de schorpioenen en kameelspinnen de huizen binnen kropen en hoog in de lucht de grote roofvogels hun nesten tegen de rotswand niet bereikten, omdat de ijle lucht hun vleugels niet meer kon dragen, dan voorspelde dat een zware regenval en een vloedgolf door de wadi. Het vee, vaak al onrustig door de lijzige luchten, werd de wadi uitgedreven en dan was het wachten, tot in de verte een geraas de aanstormende watermassa aankondigde. Het water stortte zich van van de rotsen aan de horizon in de wadibedding en een kolkende watervloed sleepte alles mee dat op zijn weg lag met een snelheid, sneller dan een galopperend paard.
Elise vertoefde graag in het gedeelte van het klooster dat uitkeek op de wadi. Staande op het balkon kon ze genieten van het weidse uitzicht, de levendigheid van het dorpje in de diepte beneden, de dieren in de wadi en het af en aan vliegen van de grote roofvogels, die in de steile rotswand onder het klooster hun nesten hadden gebouwd. Ze was er zo graag dat ze besloten had van de balkonkamer haar schrijfkamer te maken.
Ze was al heel lang van plan een boek te schrijven. Ze had een doos vol korte teksten, gedichten en quotes, netjes getypt of geschreven, maar ook neergekrabbeld op alles wat maar inkt kon opnemen. Sinds kort was ze begonnen de teksten weer te lezen en trachtte ze te herleven in welke gemoedstoestand ze was en waarom ze het belangrijk genoeg had gevonden om het op te schrijven en te bewaren. Het bureau en de vloer ernaast bedekt met stapeltjes gesorteerde stukjes tekst gaven haar echter het gevoel dat ze het boek uit een soort moeras moest trekken. Een moeras waarin ze al een tijd moedeloos en klotsend rondwaarde in de hoop enige lijn in enig verhaal te vinden.
Aan haar bureau was het altijd avond. De dagelijkse karweitjes en verplichtingen waren gedaan. De Tiffany bureaulamp wierp een helder licht op het papier voor haar en door de glazen gekleurde kap heen naar boven, strooiden zich zachte tinten licht de kamer in. De grote spiegel in de bladgouden lijst boven de haard spiegelde het zachte licht terug en zittend aan haar bureau, voelde Elise zich omringd door wat haar lief en vertrouwd was. De boeken in de oude boekenkasten. De schilderijen aan de wand. De muziek van Schubert. Haar bejaarde kater Honey opgekruld op zijn favoriete plekje onder de Tiffany bureaulamp, de twee zusjes van Honey, haar twee witte schaduwen met hun lapis lazuli blauwe ogen, slapend op de bank bij de haard.
Kijkend naar de boeken, vroeg ze zich af of grote schrijvers ook zo naar woorden hadden gezocht om hun verhaal te vertellen? Het lukte haar slechts een enkele keer de juiste woorden te vinden. Ze begon het proces van schrijven meestal met alle woorden, die in haar opkwamen of aangeleerd waren te weigeren. Als kind had ze in Alaska naar stofgoud gezocht in de modder van een rivier. Dat gebeurde door steeds weer opnieuw de modder in een platte bak met water te schudden en de bovenste troebele laag water af te gieten, zodat de lichtere mineralen zonder waarde wegspoelden en het zwaardere waardevolle goud achterbleef. Na heel veel geduldig schudden, afgieten en opnieuw spoelen werd dan eindelijk het goud zichtbaar op de bodem van de bak. Ook het schudden, afgieten en spoelen van woorden die niet juist waren, moest lang volgehouden worden en dat maakte van het schrijven een moeizaam proces, dat met zorg gedaan moest worden, maar buitengewoon belonend was, als het een enkele keer lukte. Want als na veel geduld eindelijk in haar tekst iets van dat goud te bespeuren was, begon er in haar, heel zacht en blij een schrijvershart te kloppen.
Ze had zichzelf de opdracht gegeven in elk geval elke avond plaats te nemen achter haar bureau en te lezen en te studeren en als er inspiratie was ook te schrijven. Maar ook vandaag lukte het niet een begin te maken met het boek en de gedachte van opgeven kwam weer langs. Ze had last van een schrijversblok, dat er waarschijnlijk niet voor niets was. Het was het boek zelf, dat wachtte tot ze er klaar voor was, voordat het geschreven wilde worden.
Het was tijd om stil te worden en om raad te vragen, besloot ze, want alleen kwam ze er niet uit. Haar geliefde plek om de stilte op te zoeken was buiten op het balkon, waar ze als ze omhoog keek, de sterren en de maan kon zien. Ze opende de hoge schuifdeuren naar het balkon, stak de wierookstokjes met de zachte houtige geur van sandalwood aan en de kaarsjes in de grote windlichten. De warme gloeiende lichtpuntjes leken in het donker van de avond te vibreren. Ze ging zitten op de grond op het grote kussen, bekleed met een zware stof met diep rode, oranje en okergele kleuren, als van een oosters tapijt. De hitte van de dag had plaats gemaakt voor de koelte van de avond en om warm te blijven sloeg ze een deken om haar schouders, maar ze verwelkomde de koelte van de avond in haar gezicht.
Vanavond zou ze alleen de stilte in zich zelf vinden, want er was al een week een bruiloftsfeest aan de gang in het dorp beneden aan de voet van de rots. Vooral de ritmische dreun van de bassen en de drummers was te horen, met er tussendoor ook het gelach en het zingen van de feestvierders. Ze werden echter regelmatig overstemd door de kikkers, die in de modderpoelen van de wadi in deze tijd van het jaar weer luid en schel kwakend op liefdespad waren.
Elise sloot de ogen en luisterde een tijdje naar al die geluiden, maar de ritmische dreun van de bassen en de drummers en het soms met uithalen oorverdovende geschreeuw van de kikkers beletten haar niet binnen in haar die plek van rust en stilte te bereiken.
Ik heb hulp nodig, zei ze na een tijdje. Wilt U mij helpen?
Ze wachtte hoopvol, maar zoals altijd kwam er geen antwoord. De maan scheen deze avond met heldere doorzichtige stralen. Elise opende haar ogen en keek naar haar op. Ze hield van dit maanlicht zoals het de contouren van het balkon deed oplichten en de balkonvloer om haar heen bescheen. Het licht koelde het laatste restje hitte in haar denken af en zo zittend in het maanlicht waagde ze het nog een keer te vragen. Maar nu was haar vraag anders.
Hoe heet je? vroeg ze
....je mag Me bij elke naam noemen.......klonk er opeens een antwoord
Verrast bleef ze een hele tijd stil, maar vervolgde dan aarzelend en voorzichtig: ik heb wat hulp nodig.
Bij het schrijven, voegde ze er aan toe
De lange stilte die volgde, maakte dat ze vragen vond, die haar meer kwelden dan haar schrijversblok.
Waarom is niet alles licht in mij, vroeg ze eindelijk. Delen van mij blijven donker.
......dat komt omdat je niet alles los wilt laten.....
Zoals wat? vroeg ze
Lange stilte
Waarom verdwijnt je Licht soms? drong ze aan
.....het zijn je donkere gedachten die mijn Licht verduisteren.....maar mijn Licht is er altijd......
Hoe zorg ik er dan voor dat Je Licht altijd schijnt?
....het is je eigen oordeel over jezelf die het Licht verhindert overal te schijnen....
Wat veroordeel ik dan in mijzelf? vroeg ze
.....dat je niet goed genoeg je best doet, dat je het niet goed genoeg doet....
Dat zit diep, zei ze. Hoe haal ik dat weg?
....het is een veelkoppig monster dat zich op allerlei manieren in je leven uit...het leeft door er aandacht aan te schenken.....
.....veroordeel jezelf niet meer....
....je bent....
.....dat is goed genoeg....
Weer een stilte en nu bleef het stil. Plots waren de kikkers gestopt met hun schreeuwerige liefdesspel en zwegen de bassen en de drummers. Voor Elise was er alleen nog stilte. Hoog aan de hemel vervolgde de maan haar weg en Elise bleef zitten op het grote kussen op de grond van het balkon.
Onbeweeglijk tot de maan oploste in het ochtendlicht.
Ray
Ray was een van de permanente bewoners van het klooster. Een typische kloostergast was hij niet. Hij hield niet van rituelen, mediteren of bidden, geloofde niet in buitengewone gaven en al helemaal niet in een God als persoon. Wel voelde hij iets voor de definitie van Einstein, die God definieerde als de ondersteuner en behouder van de wetten, die het universum in stand houden. Voor Ray had zijn spiritualiteit vooral te maken met zijn innerlijk en had hij al vroeg in zijn leven besloten te streven naar een innerlijk dat wijs en onthecht was. Een soort kalme getuige van de gebeurtenissen in zijn leven wilde hij zijn, niet aangedaan en overheerst door zijn eigen emoties, noch die van anderen.
Zijn aankomst in het klooster was vrij plotseling. Het was Elise die de kloosterpoort voor hem had opengedaan. Ze zag een lange jongeman staan, die haar verbaasd aankeek. Ik stak hier de straat over en botste midden op straat tegen deze deur, had hij enigszins verongelijkt gezegd. Gisteren stond deze deur er nog niet,had hij, met nu ook een groeiende verwarring eraan toegevoegd. Het was duidelijk dat zijn hersenen, getraind in wetenschappelijk en filosofisch denken, deze gebeurtenis niet konden bevatten. Hij was onderweg geweest naar de winkel voor zijn broodjes ham en kaas, naast de tomatenketchup, die hij als groente beschouwde en de cassis, die hij dronk als dagelijkse portie fruit. Hij was de straat overgestoken, diep in gedachten bezig een probleem op te lossen en botste toen bijna tegen een deur met teksten in goud, filigrein patronen en engelen aan weerszijden.
Niet alleen Ray, ook Elise vroeg zich verwonderd af wat hij te zoeken had in het klooster, maar blijkbaar was het toch tijd, anders had hij het klooster niet op zijn weg gevonden. Ze besloot hem naar de vertrekken te brengen met uitzicht op de binnenplaats waar de altijd bloeiende magnolia boom stond, hoewel ze het idee had, dat hij die prachtige rood roze bloemen niet ging opmerken, daarvoor was hij teveel in zijn hoofd bezig. Zijn manier van lopen deed haar dat vermoeden. Met zijn hoofd vooruit en zijn lichaam er achteloos achteraan, leek het of zijn lichaam op zijn best diende als ondersteuning voor zijn hoofd. Om zijn magere hoekige schouders hingen een T-shirt en een spijkerjasje. Zijn benen staken in een spijkerbroek, zijn voeten in oude versleten gympen en zijn haar viel in een lange paardestaart over zijn rug. Vergeleken met zijn benen was zijn bovenlijf lang, de proporties klopten niet helemaal. Het T-shirt was dan ook iets te kort en liet wat buik onbedekt boven de riem van zijn spijkerbroek. Onaantrekkelijk was hij niet. Misschien was het de onschuld die om hem heen hing, die de lichamelijk wat mindere punten goedmaakte. Zijn nonchalante uiterlijk was echter slechts schijn. Zijn kleding was zorgvuldig uitgekozen, zijn haar moest zo over zijn rug vallen en niet anders. Zijn uiterlijk matchte het feit dat hij zich niet aan kantooruren hield, zelden op kantoor was, soms weken niet verscheen en hij elke vergadering vermeed. Maar als hij aanwezig was, liep iedereen graag met z'n probleem zijn kamer binnen. Ray debugde de moeilijkste computerprogramma's en hij deed dat met een aan genialiteit grenzend gemak. Er was iets magisch in zijn benadering van bugs. Alsof in zijn aanwezigheid de bugs niet anders konden, dan zich aan hem kenbaar maken en zich vervolgens aan hem overgeven. Het maakte dat hij bij elk bedrijf, dat zijn hulp inhuurde een speciale positie innam.
Elise begon hem na verloop van tijd zeer te waarderen. Haar definitie van spiritualiteit was anders dan die van Ray, bij haar omvatte het veel meer het onthechten op een moeilijk pad naar Verlichting. Door haar verslaving aan koffie en cafeïne, viel het onthechten haar zwaar. Heel soms lukte het een paar jaar geen koffie te drinken, zoals tijdens haar verblijf in Amerika, omdat daar de koffie niet te drinken was. Ook gedurende de paar maanden dat ze als ademhaliste leefde van licht en lucht en niets at en de eerste weken niets dronk.
Maar op de een of andere manier raakte ze er toch weer aan verslaafd. Ze had altijd wel redenen om toch dat kopje koffie te drinken, Het was haar medicatie tegen migraines en melancholieke buien. Ze had iets te vieren of het kopje koffie moest haar juist troosten. Ze was voortdurend aan het onderhandelen met God of Hij haar verslaving door de vingers wilde zien. Het was tenslotte slechts een verslaving aan cafeïne en niet aan ergere dingen en dat maakte het volgens haar dus niet een echte verslaving. Bovendien was ze bijna haar hele leven vegetarisch en had ze de eed van kuisheid afgelegd. Dat moest toch voor iets compenseren? Maar ze wist natuurlijk wel dat ze zich zelf voor de gek hield en dat met God onderhandelen weinig zin had. Het spirituele pad en zeker het mystieke was meedogenloos en eiste perfectie. Het maakte dat ze de weg naar Verlichting een moeizaam pad vond en dat ze eigenlijk maar halfslachtig haar best deed. Het was gewoon te zwaar om alle dingen die het leven leuk en aangenaam maakten, vaarwel te zeggen voor een onzeker resultaat dat Verlichting heette.
Maar in Ray vond ze een goede gesprekspartner. In zijn ogen was nooit oordeel te lezen en als hij begon te praten, vermengden zich spatjes humor met zijn stem. Dat maakte het veilig en makkelijk om vragen die ze had met hem te bespreken. Hij had ook standaard vragen die ervoor zorgden, dat ze alles van een heel andere kant ging bekijken, zoals: Als je hebt wat je wilde hebben of: Als je bereikt hebt wat je wilde bereiken, ben je dan gelukkig? Het was verrassend hoe het antwoord op die vragen veel zaken deed wegvallen om te bereiken en om te hebben.
Ook kon hij en dat vond Elise misschien wel het fijnste, moeilijke zaken op een eenvoudige en heldere manier uitleggen. Zoals wat onthechten nu precies was. Dankzij hem begreep ze, dat onthechten niet betekende dat ze alles kwijt was, niets meer mocht bezitten en nergens meer van mocht genieten. Het was andersom. Onthechten betekende dat niets haar meer bezat of haar in zijn macht had. Een ander woord voor onthechten was dan ook vrij zijn, geen gevangene meer zijn van verlangens, emoties, gedachten en overtuigingen, maar wel als ze dat wilde er vrij voor kunnen kiezen. Het echte onthecht zijn, maakte pas dat ze echt kon genieten van leuke dingen.
.